before2

Levensverhalen redden

Ze weet het nog niet, maar de Academie voor de Nutteloze Kennis gaat zeker een keer de Leidse taalkundige Marian Klamer uitnodigen. Een onderzoeker die vele levensverhalen redt, die helaas zijn gevangen in talen die bijna niemand meer begrijpt. Klamer gaat honderden zogeheten Austronesische en Papuatalen vastleggen in woordenboeken. Talen waarvan in afzienbare tijd negentig procent dreigt uit te sterven.

before2

Het is een internationaal verschijnsel: wereldwijd worden er zo’n zesduizend talen gesproken, en volgens de meest pessimistische voorspelling zijn er daar over een eeuw vijfduizend van verdwenen. Naast de talen die Klamer probeert vast te leggen, verdwijnen vooral indianentalen in Zuid- en Midden Amerika. Er zijn een aantal redenen, die in elkaars verlengde liggen: ouders voeden hun kinderen op in de nationale taal (Indonesisch, of Spaans), kinderen trekken weg naar gebieden met meer economisch perspectief, gemeenschappen dunnen uit… Tja, zo gaat dat, ben je geneigd te denken. Is het een verlies als niemand meer weet hoe die talen klonken? Bijzonder nuttig lijkt het niet te zijn – moeten universiteiten zich niet liever bezighouden met Engels of Chinees, de lingua franca’s van deze tijd? Immers de talen van de macht en de handel. Daar heb je wat aan.

‘Een deel van de cultuur en geschiedenis verdwijnt. Want de overlevering hiervan, door de verhalen en liederen van oude familieleden, verdwijnt.’ stelt Klamer. Mooi gezegd. Maar het verklaart nog niet helemaal waarom we ons dat zouden moeten aantrekken. We maken ook geen gebruik meer van stenen vuistbijlen. Maar misschien dat het vastleggen van deze talen een uitdrukking is van een diepe, menselijke behoefte. Namelijk dat we niet kunnen aanvaarden dat het allemaal voor niets was. We herkennen in het verdwijnen van die talen – en daarmee van levensverhalen en culturen – ons eigen lot.  Het vastleggen van de taal is daarmee ook een teken van herkenning en solidariteit. Heden zij, morgen wij.

Bovendien onderstreept het de diversiteit en de veelkleurigheid van het menselijke bestaan. Het project doet denken aan het prachtige fotoboek Before they pass away van Jimmy Nelson. Nelson heeft vele jaren over de gehele wereld – ook op Papoea Nieuw Guinea –  foto’s genomen van stammen en culturen die dreigen te verdwijnen. Zoals de Papaoestam op bijgevoegde foto. Kijken naar de foto’s levert een gemengd gevoel op van herkenning en verwondering. We zien mensen zoals wij, en tegelijkertijd levensstijlen die volmaakt anders zijn. Deze projecten houden in herinnering dat anderen zijn zoals wij, en tegelijkertijd dat wie wij zijn niet zo vanzelfsprekend is.

We hopen dat Klamer bij de Academie een levensverhaal wil vertellen in een plaatselijke taal. Hoewel we een vertaling daarna wel op prijs stellen.