Dante

Dante en de kosmos

‘O, hoe schieten mijn woorden tekort en hoe zwak zijn zij om de voorstelling die ik in mijn hoofd heb tot uitdrukking te brengen! En deze voorstelling zelf is in verhouding tot wat ik in werkelijkheid zag zo miniem dat het woord schamel er al haast te sterk voor is.’

Aldus schrijft Dante in De Goddelijke Komedie, zonder twijfel één van de grootste poëtische werken ooit geschreven. De Academie voor de Nutteloze Kennis wilde graag een spreker van de studie Italiaans uitnodigen om tijdens het eerste evenement op maandag 30 maart een klein deel van De Goddelijke Komedie voor te lezen. Deels omdat talenstudies onder zware druk staan. Eeuwig zonde, en niet alleen om de (begrijpelijke) argumenten die de vakgroepen zelf steeds weer aanvoeren om hun nut te bewijzen, namelijk om economische redenen. Elk jaar krijgen we weer een pleidooi om Duits te behouden, omdat Duitsland onze belangrijkste handelspartner is. Ja, dat is beslist een goede reden. Maar hoe zit het met de waarde om Duitse literatuur te bestuderen, dichters als Novalis, Heinrich Heine, of Paul Celan? Mag dat tegenwoordig nog een argument zijn? Voor de Academie voor de Nutteloze Studies in ieder geval wel.

Maar ook om een andere reden kozen we voor het meesterwerk van Dante. De Goddelijke Komedie is een prachtige fusie van een persoonlijke zoektocht en loutering, een traktaat over moraal en politiek, een studie naar filosofie en de grenzen van de menselijke kennis, een mystiek-theologisch werk dat voorbij die grenzen durft te reiken, en een fraai staaltje kosmologie uit de late Middeleeuwen. Daarmee verbindt dit werk voor ons alle delen van de eerste avond, waarop sprekers ons onder meer gaan vertellen over middeleeuwse manuscripten en de oerknal. En het zegt iets over de missie van de academie: de zoektocht naar kennis, die misschien ook wel een zoektocht naar zin en betekenis is, in een koud en leeg universum.

De onderzoeker Italiaans moest zich verontschuldigen – hij kon niet komen –maar wees wél een passage in De Goddelijke Komedie aan die in zijn ogen zeer geschikt was om voor te lezen, alvorens wij gaan luisteren naar Ralph Wijers en zijn verhaal over de oerknal. Het ging om het allerlaatste hoofdstuk (of canto), waarin Dante na een lange tocht via de hel, de louteringsberg en de hemel is opgeklommen naar God zelf, ergens ver in de onmetelijke ruimte, en hem uit alle macht probeert te omschrijven.

‘O, eeuwig Licht, dat slechts berust in uzelf, slechts uzelf kent en aldus, gekend en kennend, uzelf bemint en toelacht.

Poëzie en sterrenkunde – en prachtige combinatie. Dante schreef zijn werk in een tijd dat de wereld en de kosmos nog een vanzelfsprekende zin had, als schepping van God. Het is een hoopvol werk – vandaar ook de (later toegeschreven) naam ‘komedie’. Dante beschrijft zichzelf, als een man van 35, middenin het leven, maar op een verkeerd pad. Hij is zondig, en zonder doel. Maar gedurende het werk klimt hij op, van de hel naar de hemel, van de zonde naar de deugd. En passant beschrijft hij in 99 canti, in prachtige metaforen, de gehele kosmische orde, van zijn stad Florence – vol machtsspel en wellust; we vinden menig politicus én kerkelijk leider in de hel – tot aan de hemelsferen. En dit hele bouwwerk rust als vanzelfsprekend in de liefde van God.

Tegenwoordig zijn we van dat laatste minder zeker. Maar de poëzie en muziek voegen beslist iets toe aan het onderzoek naar de kosmos. Denk aan hoe in Kubrick’s 2001, A space odyssee de muziek van An der schönen blauen Donau klinkt, terwijl we ruimteschepen rond de aarde zien draaien. En volgens filosoof Bertrand Russell biedt astronomie zélf zin.  Geconfronteerd met the abysses of interstellar space, aldus Russell, leren we een zekere respect en bescheidenheid – waardevolle deugden in fanatieke tijden.

Ter ere van Dante, en omdat poëzie en astronomie beslist samengaan, lezen wij zelf vóór de presentatie van Raph Wijers een deel van het laatste canto van De goddelijke komedie. Kom dus naar de avond, morgen!

‘Maar intussen werd mijn drang naar inzicht en mijn vurige wil, as een rad dat met gelijkmatige snelheid wordt rondgedraaid, reeds voortgestuwd door de liefde, die de drijfkracht is van de zon en de andere sterren.’