Beeld: George Poinar, Jr. / Oregon State University

Waarom de dood van een kleine salamander ons raakt

Een fossiel van een twee centimeter groot salamandertje in barnsteen verraste de paleontologenwereld deze week. Nooit eerder werd er een reptiel uit de Palaeoplethodon hispaniolae familie gevonden in het noorden van de Dominicaanse Republiek. Sterker nog: in de gehele eilandengroep zijn vandaag de dag geen levende salamanders te vinden. Dat het gebied ooit wel salamanders huisvestte, was tot vorige week onbekend.

Een grote verrassing dus, die meer teweegbrengt dan wetenschappelijke fascinatie alleen. Ook gevoelsmatig doet de vondst ons iets: het roept blijdschap, maar ook melancholie op. ‘Een traumatisch evenement voor de kleine amfibie”, schrijft IFL Science met gevoel voor dramatiek. “Nog maar net uit zijn ei en direct aangevallen door een beest dat bruut zijn been eraf trok.” Dat het voorval 20 tot 30 miljoen jaar geleden plaatsvond, weerhoudt de auteur er niet van zijn medeleven te betuigen.

Zulk inlevingsvermogen is ook Anne Schulp, paleontoloog bij Naturalis, niet vreemd. “Je gaat je wel eens in een dier verplaatsen, zeker als er aanwijzingen zijn dat het op een heel vervelende manier aan zijn eind is gekomen. Dat gebeurt onwillekeurig.”

All in the game
Het lot van de kleine salamander lijkt symbool te staan voor het verdwijnen van hele soorten. Mensen – en ik hoor daar ook bij – kunnen moeilijk verkroppen dat soorten uitsterven. Maar waarom eigenlijk? Is uitsterven geen wezenlijk onderdeel van de evolutie; net zo natuurlijk als het ontstaan van nieuwe soorten?

Jelle Reumer, paleontoloog en directeur van het Natuurhistorisch Museum in Rotterdam, antwoordt bevestigend. “99 procent van alle soorten die ooit op aarde hebben geleefd, zijn uitgestorven. It’s all in de game.”

Een klein rekensommetje om dat te illustreren: “Een soort gaat gemiddeld 2 miljoen jaar mee. Naar schatting hebben we nu 9 miljoen soorten. Als dat iedere 2 miljoen jaar wisselt, dan hebben in 200 miljoen jaar maar liefst 900 miljoen soorten de revue gepasseerd.”

Het laatste woord
Het uitsterven van diersoorten is daarmee ronduit natuurlijk en onvermijdelijk. Rationeel gezien weinig reden voor melancholie dus, maar de moeite die we ermee hebben, blijft. Zo’n moeite dat wetenschappers wereldwijd pogen uitgestorven dieren te her-opwekken. In het geval van de Australische maagbroederkikker was dat met succes: uitgestorven in 1983, (tijdelijk) weer tot leven gewekt in 2013. Hoopvol werd er geroepen dat ook de mammoet op een dag misschien ook wel weer in de wei zou grazen.

Maar waarom kunnen we niet accepteren dat soorten uitsterven? Is het een schuldgevoel dat aan ons knaagt, ingegeven door de wetenschap dat we de natuur schade toebrengen, terwijl we het verstand en de kennis hebben om haar (beter) te beschermen? Is het het idee van eindigheid, het idee dat iets nooit – nooit – meer terugkomt dat ons een onbehaaglijk gevoel geeft? Of is het de onwil om de mens als onderdeel van de natuur te zien; om onze meerdere te erkennen?

Want ook de mens ontsnapt niet aan de wetten van de natuur, herinnert Reumers ons. “Een soort gaat gemiddeld 2 miljoen jaar mee. De homo sapiens bestaat sinds 200 duizend jaar en heeft in theorie dus nog even te gaan, maar uiteindelijk gaat ook voor de mens het licht uit.”

Het is wellicht dat besef, dat ons melancholisch stemt. De mens staat niet boven de natuur, maar is onderdeel van. De natuur heeft het laatste woord.